Van harem tot Hollywood

 10. Het volk zonder land: dans van de zigeuners

Het is niet bepaald eigen aan koningen, zich bezorgd af te vragen of hun onderdanen zich wel weten te vermaken. Een uitzondering hierop is Bahram V, een Sassaniden-koning van Lahore, het huidige Pakistan, in het begin van de vijfde eeuw. De Sassaniden vormden destijds een dynastie in centraal Perzië. De man wilde het dagelijks bestaan van zijn volk graag opfleuren met wat entertainment. Een televisie-omroep uit de grond stampen behoorde natuurlijk nog niet tot de mogelijkheden, en dus stuurde Koning Bahram boodschappers naar India, ook in die tijd al een vooraanstaand land wat amusement betreft. Een Indische Maharadja begreep het probleem, en stuurde zijn collega een groot aantal minnezangers, danseressen en artiesten, ondermeer uit Kasjmir, om het volk van Lahore op gepaste tijdstippen te verstrooien. Zo schrijft althans Aboel-Kasim Firdausi (ook gekend onder de naam Firdouz), een tiende-eeuwse Perzische dichter.

Indische danseres

Maar ook de de wereld van het amusement is onderhevig aan de grillen van de markt. Door omstandigheden stort de hele business in mekaar. De hele meute artistieke migranten valt zonder werk, ook al omdat ze van landbouw geen verstand hebben. Hun enige alternatief is een nomadisch bestaan op te nemen. Het is het begin van het onzekere zwerversbestaan van het volk, dat wij later zigeuners zullen noemen. Een deel verlaat de Punjab, om via de steden Pesjawar (in het huidige Pakistan) en Kaboel (Afghanistan) de Toerkmeense steppen te bereiken. Hun artistieke en andere bezigheden lopen sterk uiteen van groep tot groep. Ons interesseren vooral de Zitti of Sinti (naar de Pakistaanse provincie Sind), die gespecialiseerd zijn in muziek en dans, en in de handel in strijkinstrumenten. Begin twintigste eeuw noteert de Belgische schrijver Camille Poupeye in Pesjawar:

Eén van de drie vrouwen neemt een tamboerijn, en laat met haar roodgekleurde handpalm de kleine cymbaaltjes gonzen. Met scherpe stem begint ze te zingen. Een tweede schoonheid komt voor me dansen. Belletjes rinkelen aan haar leren enkelbandjes. Haar rode blote voeten stampen op de stoffige houten vloer. Ik had deze danseressen al eerder leren kennen. Ooit werden ze losgerukt uit hun dorpen in Kasjmir of Punjab, zelfs Afghanistan of Oezbekistan. Een kamelendrijver of karavaanhandelaar uit de bergen bracht hen naar de stad, om hen daar aan hun lot over te leveren. Zo werden deze vrouwen verkoopsters van liefdesplezier. Voor mij hebben ze geen geheimen meer. Ik ken hun sensuele bewegingen, hun golvende dansen en bochtig heupenspel, hun lenig bovenlichaam en trillend onderlichaam, het slangachtige draaien van hun armen en handen. Ik ken hun nasale muziek, hun vreemde stemgeluid en hun opwindende vormen.

Vanuit Toerkmenistan trekken de nomaden dwars door het onherbergzame Perzische Hoogland. Als de Zitti de vlakte van Mesopotamië bereiken, winnen ze in bepaalde kringen weer aan respect omwille van hun buitengewone gevoel voor amusement. Christelijke monniken en Parsen (de oude Perzen) nodigen hen graag uit in hun herbergen, die ze hebben ingericht in de bijgebouwen van hun kastelen aan de oevers van de Tigris en de Eufraat. In ruil krijgen de vrolijke gasten overvloedig zelfgemaakte wijn geschonken, al is hen dat als moslim eigenlijk verboden. Zigeunerdanseressen, zangeressen en fluitspeelsters brengen letterlijk leven in de brouwerij, en zorgen voor een nooit eerder geziene toeloop van stamgasten.

Vanaf de achtste eeuw krijgt Bagdad grote bekendheid om z'n wetenschap, dichtkunst en muziek. Luidruchtige feesten vullen de straten van de stad aan de oevers van de Tigris. Ook Haroen al-Rasjid (766-809), de beroemdste Abbasidische kalief, is nauwelijks weg te slaan van dans en muziek. In de woning van zijn hofzanger en gunsteling Ibrahim geniet hij van de fijnste concerten, in het gezelschap van bekoorlijke danseressen en wulpse zangeressen.

In dezelfde periode ontstaan de sprookjes van duizend-en-één-nacht, die in het westen bekend raken vanaf 1702, wanneer de Fransman Antoine Galland ze uit het Arabisch vertaalt. Eén van de bekendste verhalen is dat van Ali Baba en de veertig rovers. Vooral de passage waarin de slavin Morgiane Ali Baba het leven redt tijdens een dans, schetst heel goed de sfeer én de intriges in het antieke Bagdad.

Wanneer Abdallah zag dat Ali Baba en Cogia Hoessein ophielden met praten, begon hij op zijn tamboerijn te spelen, terwijl hij een danswijsje zong. En Morgiane, die voor geen enkele beroepsdanseres moest onderdoen, gaf hen een hoogst bevallige dans ten beste, die niet alleen de bewondering zou oogsten van haar twee toeschouwers, al scheen Cogia Hoessein maar weinig onder de indruk. Na enkele dansen, die even sierlijk en indrukwekkend waren, trok Morgiane haar dolk. Met dat wapen in de hand danste ze verder, terwijl ze zichzelf voortdurend overtrof, zo verscheiden waren haar figuren, zo licht haar bewegingen en zo verrassend haar sprongen. Haar lichaamshoudingen waren niet minder wonderlijk: ze hield haar dolk nu eens met de punt naar voor, alsof ze zou stoten, vervolgens deed ze alsof ze zichzelf in de borst stak. Helemaal buiten adem greep ze Abdallah's tamboerijn in de linkerhand, haar dolk hield ze vast in de rechter, en zo liep zij op Ali Baba toe, de holle kant van de tamboerijn naar hem gekeerd. Zo doen professionele dansers en danseressen een beroep op de vrijgevigheid van hun publiek. Ali Baba wierp een goudstuk in de tamboerijn van Morgiane. Dan richtte ze zich tot de zoon van Ali Baba, die het voorbeeld van zijn vader volgde. Wanneer Cogia Hoessein zag dat zij ook naar hem toe wilde komen, nam hij zijn beurs al uit zijn boezem om haar zijn gift te doen. Precies op dat moment stootte zij de dolk midden in zijn hart, met een moed die haar flink en vastberaden karakter helemaal typeerde. Ali Baba was met verstomming geslagen, totdat Morgiane even later de verborgen dolk te voorschijn haalde, waarmee Hoessein Ali Baba had willen vermoorden.

Niet alle zigeuners blijven hangen in Bagdad. Vele families zwerven rusteloos verder door Noord-Afrika tot in Moors-Spanje, andere trekken richting Balkan, een streek die ze tussen de vijfde en tiende eeuw bereiken. Rond de elfde eeuw vestigen ze zich geruime tijd in Griekenland, waar men hen atsinganoi noemt. Een viertal eeuwen later komen ze aan in Europa, waar ze aanvankelijk goed worden onthaald. Hun liederen en dansen laten vele sporen na in de volksmuziek van Andalusië en Zuid-Frankrijk. Op hun beurt nemen de zigeuners plaatselijke populaire muziek en dans op in hun repertoire, waardoor hun publiek snel aangroeit. Succes is voor hen letterlijk van levensbelang, aangezien amusement hun voornaamste bron van inkomsten is. Zigeuners zijn vaak briljante muzikanten, die de lokale muziek weten te vernieuwen op een heel eigen, Oosterse wijze. Dat komt de plaatselijke bevolking goed uit, want door het harde werk op het land heeft die geen tijd over om zelf intensief met muziek bezig te zijn. De hogere klasse heeft veel minder om handen, maar vindt muziek dan weer beneden haar waardigheid.

Dat overnemen van elementen uit andere culturen, ten dele ingegeven uit commerciële overwegingen, is op zich een typisch kenmerk van deze nomadische cultuur. Men spreekt van Indo-Scythische liederen en dansen. De Scythen, de belangrijkste clan van deze nomaden, zijn politiek niet verbonden, maar vormen niettemin een eenheid op vlak van hun cultuur, die een vervlechting is van Griekse, Perzische en Oosterse elementen.

De reconquista, de herovering van het Spaanse schiereiland in 1492, dwingt de zigeuners opnieuw hun zwervend bestaan op te nemen. Velen vluchten naar het Ottomaanse rijk, dat vanaf de zestiende eeuw de hele Arabische wereld begint te controleren. Volgens sommige auteurs zou de çengi-dansstijl afkomstig zijn uit Spanje. Turkse danseressen, de zogenaamde çengi (spreek uit: tsjengi), zijn immers doorgaans zigeunervrouwen, net als de Spaanse gitanas. Waarschijnlijk is het Franse woord voor zigeuner, tzigane, afgeleid van het Turkse çengi. Waar deze term oorspronkelijk vandaan komt, is niet zeker, al geeft de volgende zigeunerlegende een mooie uitleg:

Aan de oevers van de Ganges leefde eens een volk, dat geregeerd werd door een machtige koning met een uitgebreide harem. Uit één vrouw werd een zoon geboren, Tsjen, een andere bracht een dochter voort, Gan genoemd. Na het overlijden van de vorst werden Tsjen en Gan geliefden, al was dat niet naar de zin van het volk. Bij een bloedig treffen verslaat Alexander de Grote de legers van Tsjen. Een sadhu (een Indische wijze) gebood hen als straf dat ze voortaan een zwervend bestaan moesten leiden. Door de samenvoeging van de namen van het vorstenpaar, Tsjengan, kreeg het zwervend volk een naam.

Als de Moren in 1492 van het Iberische schiereiland worden verdreven, laten zij diepgaande sporen na in de Andalusische cultuur. Een deel van de zigeuners trekt samen met hen naar Klein-Azië. Daar versmelten kenmerken van de Arabo-Andalusische hofmuziek met de volksmuziek van de Balkan. Er ontwikkelt zich een eigen stijl, die vooral in de Europese kant van het Turkse Rijk opgang maakt. Danseressen, de çengi dus, dansen er op marktpleinen en aan het hof van de sultan. Ook nu nog kan je hen aan het werk zien in Sulékule, de zigeunerwijk van Istanbul. Enkel het kostuum is niet meer hetzelfde: vroeger was het lichaam van de çengi van kop tot teen bedekt, tegenwoordig lijkt men drastisch te willen besparen op textiel.

In de vijftiende eeuw zijn de zigeuners in onze streken nog altijd welkom. Ze zijn tenslotte op de vlucht voor de Turken, die met plundertochten en volksverhuizingen vanuit Centraal-Azië het Midden-Oosten veroveren. Toch duurt die tolerante houding niet lang. De Indische dansen die ze op feesten ten beste geven, krijgen van de kerk de stempels 'onzedelijk' en 'des duivels'. Er komt niet alleen een algemeen verbod op, maar de zigeuners worden ook zwaar gestraft: ze komen aan de schandpaal terecht, worden gemarteld en gebrandmerkt, vaak worden hun oren afgesneden. Pas veel later zal de zigeunermuziek naar waarde worden geschat, wanneer 'klassieke' componisten als Béla Bartók zich erdoor laten begeesteren en inspireren, en zigeunermuzikanten als Django Reinhardt en Manitas de Plata wereldbekendheid verwerven.

Dat de zigeunercultuur van de kerk een 'duivels' etiket meekrijgt, heeft wellicht ook te maken met hun (voor die tijd) onfatsoenlijke kleding. Vrouwen dragen bijvoorbeeld vaak een diep ingesneden blouse, omdat borsten voor hen geen seksuele associatie hebben. Bij de Egyptische ghawazee is een decolleté trouwens ook niet ongewoon.

De vrouwen waren niet gesluierd, ze waren zelfs half naakt, vooral dan de jonge meisjes van tien, vijftien jaar. Hun kledij bestond uit weinig meer dan een broek met grote plooien. Zilveren enkelbanden sierden hun blote voeten. Het bovenlichaam was bedekt met een katoenen of zijden hemd, dat met een riem werd dichtgehouden. Borst en hals bleven onbedekt. In lange vlechten tot op de hielen hing het donkerzwarte haar, versierd met ingeknoopte gouden muntstukken. Om hals en heupen hing een pantserwerk van gouden piasters, die bij elke pas een rinkelend geluid maakten. Dansend en zingend op de tonen van hun muziek toonden ze geen enkele schaamte over het feit dat ze bijna naakt waren in het bijzijn van mannen. Die schenen over hen geen enkel gezag te hebben.

Zo beschrijft Alphonse de Lamartine zijn ontmoeting met een groep Koerdische nomaden, in zijn verslag van zijn reis door Libanon. De Lamartine (1790-1869) staat in zijn tijd bekend als politicus, dichter én verwoed reiziger door oosterse streken. De nomaden nodigen hem uit in hun kampement om met hen een waterpijp te roken en koffie te drinken. Van deze 'Bohémiens armés de l'orient', zoals hij hen noemt, leert hij dat ze afkomstig zijn van Koerdistan, maar de winter met hun familie en kudden doorbrengen in de vlakten van Mesopotamië of Syrië.

Een oude gravure uit het einde van de achttiende eeuw toont heel wat overeenkomsten van hun kledij met die van de Egyptische ghawazee. Merk op dat benen, dijen en buik altijd voor vreemde blikken verborgen blijven. Vandaar dat çengi, Turkse zigeunervrouwen, vaak te zien zijn in wijde, kleurige rokken.

De zigeunerdanseressen zouden afstammelingen zijn van uit India gevluchte tempelslavinnen. In dat land is tempelprostitutie ook de dag van vandaag nog altijd sterk in zwang. Meestal zijn het jonge meisjes uit arme families die er het slachtoffer van zijn. Ouders staan graag hun dochter af aan de tempel, overtuigd door de priester dat ze is uitverkoren door de godin om de tempeldienst te verrichten. Het meisje mag nooit meer de tempel verlaten, en slijt de rest van haar leven als religieuze prostituée. Voor de gelovigen is zij Devadasi, slavin van de godheid. Op jonge leeftijd krijgt ze onderricht in de danskunst, en eenmaal geslachtsrijp wordt ze door de Brahmaanse priester ontmaagd met de stenen penis van de god Sjiva. Van dan af blijft ze in de macht van de priesters die Sjiva vertegenwoordigen. Min of meer zoals een katholieke kloosterzuster heeft zij een spiritueel huwelijk gesloten met een godheid.

Op het einde van de 18de eeuw schrijft de Franse missionaris Jean-Antoine Dubois in een brief:

Hun officiële plichten bestaan eruit tweemaal per dag, 's morgens en 's avonds, te dansen en te zingen in de tempel, alsook op publieke ceremoniën. Deze vrouwen zijn ook bij huwelijken en plechtige familiereünies van de partij. De tijd tussen de ceremoniën spenderen zij aan beschamende bezigheden; het is niet ongewoon om een tempel te zien veranderen in een bordeel. De courtisanen zijn de enige Indische vrouwen met het privilege om te leren lezen, dansen en zingen. Een welopgevoede en respectabele vrouw zou beschaamd zijn zich één van deze vaardigheden eigen te maken.
Top