Van harem tot HollywoodAl AndalousVanuit Centraal-Azië veroveren rond de elfde eeuw Turkse stammen, de Seldjoeken, de gebieden Perzië, Irak, en andere delen van het Arabische rijk. Perzen blijven de meeste sleutelposten opeisen. Ze maken gebruik van hun macht om de cultuur te stimuleren. Mettertijd volgt Bagdad het kalifaat van Damascus op als cultuurcentrum, tot de stad op zijn beurt wordt ingehaald door het Moorse imperium. In de periode van de tiende tot twaalfde eeuw, wat we het Arabische gouden tijdperk kunnen noemen, ontwikkelen en verfijnen zich dans, muziek en andere kunsten tot een hoog niveau. Uit die tijd dateren bijvoorbeeld de voor buikdans zo typische hoofd- en handbewegingen, die hun Perzische afkomst niet kunnen loochenen. Het is een periode van culturele opleving en grote verdraagzaamheid. Artiesten reizen door het hele Islamitische rijk, en assimileren daarbij muziek en dans van verschillende volkeren. ![]()
Dat ook Spanje en Zuid-Italië onder Arabisch bewind komen te staan, zal blijvende gevolgen hebben. Rogier II (1130-1154) en Frederik II (1215-1250), bijgenaamd 'de twee gedoopte sultans van Sicilië', nemen na de herovering van Zuid-Italië zelfs de Arabische manier van kleden over. Ook nemen ze zangeressen en danseressen in dienst om het Siciliaanse hof op te vrolijken met Arabische kunst. Intussen kent Moors Spanje een artistieke bloeiperiode, die het Abbasidische kalifaat van Bagdad in de schaduw stelt. Arabische muziek krijgt hierdoor een sterke impuls, en gaat een versmelting aan met Perzische en Berberse elementen. Het resultaat van deze fusie is de Arabo-Andalusische muziek, een stijl die tot op vandaag nauwelijks veranderingen heeft ondergaan. De Algerijnse gharnati-muziek, afgeleid van het Arabisch voor Granada, verwijst in zijn etymologie duidelijk naar zijn stedelijke oorsprong.
Mohamed Ziryab, een zeer getalenteerd zanger en muzikant, verbonden aan het hof van Bagdad, verhuist rond het jaar 800 naar Cordoba. Hij stampt er een zangschool uit de grond, waar hij onderricht geeft in de canto jondo, zijn vernieuwende manier van zingen en improviseren. De school trekt ook muzikanten aan uit andere Europese landen. Ze komen er luit studeren, en verslinden wetenschappelijke teksten over toonafstanden en toonreeksen. Hierdoor dringt ook de Griekse muziektheorie de Arabo-Andalusische stijl binnen, die daardoor eens te meer een ander karakter krijgt. Vermenging van Iraakse met Romeins-Visigotische elementen in de smeltkroes van Moors Spanje doet nieuwe muziek, dans en poëzie ontstaan. De Europese leerling-muzikanten keren terug naar hun land met hun nieuw verworven kennis, en bezoeken Europese vorstenhuizen en kasteelheren. Met hun verzen en liederen in het Gallicisch en Provencaals vermaken deze 'troubadours' de Europese edelen. Alphonso X 'El Sabio' (1252-1284), een Castilliaanse vorst en één van de belangrijkste persoonlijkheden van zijn tijd, schoeit verschillende van de liederen die hij componeert op een Arabische leest. Het hof van Cordoba steekt dus al snel Bagdad naar de kroon. De bloeiperiode van de Arabo-Andalusische muziek duurt van de negende tot de twaalfde eeuw. De hofdans die verbonden is aan deze muziek, de Andalou, kenmerkt de stedelijke cultuur van Fes, Rabat, Tlemcen, Algiers, Constantine en Tunis. Enkel leden van de mannelijke hogere klassen mogen ervan genieten hoe danseressen in rijk versierde gewaden de melodieën illustreren. Hun armen bewegen in sierlijke arabesken, terwijl de zijden sjaals tussen de vingers op speelse wijze de hypnotiserende muziek accentueren. Een en ander doet denken aan de Oosterse bayadères, zoals de Portugezen de Indische tempeldanseresjes noemen. |