De dans van de Ouled Naïl

Arabische danseressen worden in de 19de eeuw een onuitputtelijke bron van inspiratie voor een aantal Westerse schrijvers, journalisten, fotografen en schilders. Etienne Dinet, Gustave Flaubert, Otto Pilny en Jean-Léon Gérôme hebben een ding gemeen: hun fascinatie voor de Arabische wereld. De betoverende 'danse du ventre' is niet weg te denken uit hun werk.

Toeristen die Noord-Afrika, Turkije en Egypte bezoeken, verrassen de thuisblijvers met prentbriefkaarten van sensuele danseressen en muzikantes. Vooral de Algerijnse Ouled Naïl blijken erg in trek te zijn. Lehnert en Landrock, twee Duitsers, vestigen tijdens het jaar 1904 hun legendarische fotostudio in Tunis. Ze maken plaatjes doorheen gans Noord-Afrika. Ouled Naïl en Mauresques vormen een dankbaar en geliefkoost onderwerp. De ansichtkaarten die ze maken worden later verzamelobjekten en tonen soms halfnaakte vrouwen. Ontblote borsten drukken seksuele beschikbaarheid uit en het lijdt geen twijfel dat de fotografen voornamelijk modellen recruteren uit het prostitutiemilieu. Vooral de oriëntalische stroming in de schilderkunst blijkt de keuze van de onderwerpen op de prentbriefkaarten sterk te beïnvloeden. Wat er zich afspeelt achter de schermen van de harem blijft tenslotte voor de meeste westerlingen een mysterie, zodus laten de fotografen hun fantasie de vrije loop. Zodoende liggen de exotische en erotische haremtaferelen uitermate goed in de markt. Vandaag de dag scoort naakt nog altijd goed in advertentiecampagnes, op dat vlak is er nog niets veranderd. Aangezien kunstenaars ook maar mensen zijn, willen ze graag brood op de plank, met liefst nog iets extra erbij en dus pikken ze in op de vraag. Bovendien slorpen reiskosten een flink deel van het budget op...

Ouled Nail

Etienne Dinet, land- en tijdsgenoot van Flaubert, levert onschatbare informatie over de dans van de Ouled Naïl. Als co-auteur, maar vooral als vertaler, schrijft hij samen met zijn vriend Slimane Ben Ibrahim, een boek over de Ouled Naïl. Dinet leeft meer dan veertig jaar tussen de Ouled Naïl. Dinet laat vele mooie schilderijen over de danseressen achter en gaat - om zich beter te integreren in de Algerijnse samenleving - over tot de Islam. Hij geeft in zijn boek een eerlijk en vooral waardevol beeld van het werkelijke leven van de Ouled Naïl.

Schrille melodieën van de ghaïta rijten de stilte aan flarden. Een felle schittering breekt de duisternis. Fonkelende sterren dalen op aarde neer. Het geschitter blijkt afkomstig te zijn van de zilveren en gouden juwelen van de Naïlates, de prachtige dames van de Ouled Naïl-stam. Alleen hun vurige blikken overtreffen de pracht van hun blinkende sierraden. Naar Europese normen zijn ze overdadig behangen met zilveren of gouden munten, kettingen en kralen en amuletten. Ze dragen vervaarlijk uitziende armbanden met uitsteekstels waarmee men iemand ernstig kan verwonden. Ondanks hun zelfzekere en trotse uitstraling zullen er wel gelegenheden zijn waar dit attribuut zijn nut bewijst. Zware Arabische parfums, een ondefinieerbare mix van munt, musc, amber en tijm, dringen je hersenen binnen. Je voelt je langzaam opstijgen op het tapijt. Zwevend op het tapijt doorklief je de zwoele nacht. Is dit het effekt van die raar smakende sigaret die m'n buurman, een in een bruine boernoes gehulde grijsaard, me daarstraks aanbood? Na verloop van tijd krijgt de ghaïta gezelschap van het ritme van de bendirs. Doum, dzzz dzzz, doum dzz dzz, klinkt het onder de sterrenhemel. Palmbomen wiegen zachtjes mee met het ritme.
Na een uur muziek nadert er eindelijk een danseres. Langzaam drinkend aan een anijsdrank; grapjes makend met een van de toeschouwers en... plots verdwijnt ze terug. Alsof ze het publiek wil plagen. Een half uur later verschijnt er een ietwat oudere dame. Gehuld in een lange kaftan van goudbrokaat, rinkelend met haar overdadige gouden juwelen die getuigen van een ver verleden als gevierde danseres. Met haar bewegingen verleidt ze een ingebeelde minnaar. Een reflektie van voorbijgegane glorie. Ze laat de muziek stoppen en met een korte groet neemt ze afscheid van het publiek. We krijgen sterke zoete koffie. Een pauze van bijna een uur, slechts onderbroken door een verhitte discussie, volgt. Met een zijden sjaal rond de heupen komt een mooie jonge Naïlate het podium op. Haar reusachtige oorbellen en armbanden zijn ingelegd met bloedkoraal. Zij geloven dat dit bescherming biedt tegen onheil. De gouden tiara op haar hoofd, eveneens bezet met bloedkoraal, staat een beetje scheef. Vermoedelijk onder invloed van alkohol. Het meisje heeft er duidelijk geen zin in en met een verveeld gezicht rolt ze haar sluier op tot een touw. Agressief werpt ze haar opgerolde sluier naar het orkest. Een duidelijk gebaar dat ze moeten ophouden met spelen. Tot overmaat van ramp maakt ze aanstalten om er terug vandoor te gaan. Enkele toeschouwers maken luid roepend, duidelijk dat dit niet kan. Na druk gestikuleer wendt ze haar trotse blik naar de muzikanten en gebaart hen van terug te beginnen. Geraffineerde handbewegingen, sensuele heupen trillend op het hypnotizerende ritme van de bendir en kalouze. De diepe fluittonen van enkele gasba's doen rillingen over je rug lopen. Het gelaat van de jonge dame heeft iets koninklijks over zich, toch kan er geen vriendelijk lachje af. Bruusk onderbreekt de danseres haar voorstelling en neemt met een trotse pas de biezen! Het publiek neemt op een gelaten manier genoegen met haar beslissing en apprecieert des te meer de fierheid die zij afstraalt.
Ouled Naïl dansers

Ook Belgische en Nederlandse schilders en schrijvers blijven niet onberoerd door de verlokkingen van het Oosten. Egypte staat bij de Nederlandse schrijver Louis Couperus hoog op het verlanglijstje, verschillende malen vallen zijn plannen in 't water en uiteindelijk is hij er nooit geraakt. Wel maakt hij in 1920 - 1921 een reis door Algerië waarbij hij nog even tussendoor Tunis aandoet. Algiers, Constantine, Biskra, Touggourt, Timgad en Tunis vormen zijn reisroute. Buikdanseressen herinneren Couperus aan de wereldtentoonstelling van Parijs waar hij 'La belle Fathma' had zien optreden, "omringd van hare schaar danseressen, die de dans uitvoerden, bijgenaamd du ventre". 's Avonds gaat hij graag kijken naar 'de Courtizanen, die met hare dansen en anderszins in Biskra haar bruidschat komen sparen '.

Op een verhoog van twee banken zit de fluitspeler tussen twee tamboerijnslagers die met pols- en vingergeklepper het ritme van de dans markeren. Hasha Mia danst vanavond de dansen der donkere Bedoeïnen. Haar gezicht staat onverschillig en hard, bijna zonder droeve, pijnlijke uitdrukking. Ze wacht rustig en roerloos een kwartier, twintig minuten, een half uur zonder zich te storen, naar het wilde enervante genuezel der rietfluit en het bonzen der tamboerijnen: een zware, diepe polsslag en vier, vijf korte, droge weerslagen; aanjagend, prikkelend en zinnelijk.
Dan treedt ze plots aan ten dans in haar donkerrood lang kleed en haar zwarten hoofddoek, in het gerinkel van oorringen, arm- en enkelbanden en het klepperen van haar zilveren muntengordel. Ze luistert een moment roerloos naar het donkere ritme, dan rekt ze zich langzaam met geheven handen en treedt achterwaarts wiegend met de rug naar ons toe. Ze komt echter bijna niet van haar plaats; ze houdt een rood opgerold doek aan de uiteinden boven haar hoofd en wiegt trippelend op haar rode lage schoenen over-en-weer. Soms onderbreekt ze plots haar dans, wendt zich om en blijft een ogenblik met haar donker droevig gezicht naar de kijkers toe stilstaan. Nu nadert ze tot vlak bij de fluitspeler; hij haalt een hoge dunne toon uit zijn riet ddie om haar hoofd trilt als het gefladder van een insekt; hij spreekt met met haar door zijn fluit, lokkend, vragend, dringend; ze knikt zachtjes met het hoofd en herbegint haar wiegende passen. Dan staat de rechtse tamboerijnspeler op en nadert langzaam met opgeheven trom tot haar. Hij skandeert sterker, korter en dieper het ritme; zij wijkt langzaam terug, hij volgt haar met zijn tamboerijn op de gespreide opgeheven hand. Ze kijken elkaar in de ogen zonder expressie; het trillen der fluit verstilt; de trommelslag wordt lichter en aandachtiger, tot een plotse zware slag de onwezelijk vreemde spanning breekt en Hascha met een ruk haar wiegende pas herneemt.
Men danst in haast elk koffiehuis van de straat der Ouled Naïl's te Biskra...
Ouled Nail danseressen

De bovenstaande beschrijving komt uit een brief van de Antwerpenaar Ernest Van Der Hallen, die in 1935 Tunesië en Algerije bezoekt, toen nog Franse overzeese gebieden.

De meisjes van de Ouled Naïl, een Algerijnse stam, reisden van dorp tot stad om te dansen. Wanneer ze voldoende verdiend hadden keerden ze beladen met juwelen terug naar hun geboortestadje. In tegenstelling tot wat andere bronnen beweren, dansten de Naïlates niet hun bruidschat bij elkaar. Het is bij de Ouled Naïl de traditie en de wet dat - evenals in de gehele islamitische wereld - de man de bruidsschat betaalt voor zijn aanstaande vrouw(en). De dansen van de Naïlates behoren in het huidige Algerije definitief tot het verleden. De plaatselijke autoriteiten vervolgden en straften de danseressen van de Ouled Naïl onder het voorwendsel dat ze collaboreerden met de vijand, de Franse militairen. Nu verbleven de meeste Naïlates te Biskra en Bou-Saâda, oorden die wegens hun zacht winterklimaat erg in trek waren bij Westerse toeristen. Meisjes van de Ouled Naïl-stam vormden een tweede trekpleister. De vele prentbriefkaarten met portretten en scènes van Ouled Naïl getuigen van de enorme populariteit die deze vrijgevochten dames hadden. In scherpe tegenstelling tot het stereotiepe beeld dat het Westen van de Arabische vrouw had en heeft, genoten de Naïlates van een vrijheid waarvan hun Westerse zusters slechts van konden dromen. Niet iedereen in de door mannen gedomineerde Algerijnse maatschappij was daarmee akkoord. De kiemen van het Algerijnse moslimfundamentalisme die toen reeds de kop opstaken keerden zich in de eerste plaats tegen de minst weerbaren van de Algerijnse maatschappij, de Naïlates.

Geschilderde Ouled Nail tribal troupe