De dans der gesluierde knapenEen reisverslag uit 1937 door Ernest van der Hallen
Het is nu negen uur en het orkest doet zijn intrede. Het orkest, dat wil zeggen een fluitspeler die dadelijk zijn houten hekiliah-fluit voor de dag haalt, en bovenop het gemetseld muurtje rond de voet van de vijgeboom een plaats krijgt. Hij likt zijn lippen, haalt zijn longen vol lucht en perst zijn stevige adem met een ontstellend geweld door zijn instrument dat hij met vlugge, zekere greep bevingert. Zijn bruine wangen staan er bol van, en hij wordt helemaal rood van de krachts-inspanning. Alleen wie ooit zo'n Arabische fluitspeler heeft bezig gezien en gehoord, heeft er er vermoeden van, welk een baldadig geweld van klanken, zonder eigenlijke maat, maar op een sterk staccato ritme, het resultaat is van deze muzikale poging. Hij is trouwens niet alleen: zeven haast zwarte nomadenvrouwen, volbehangen met kralen, kettingen, armbanden en oorringen, en gehuld in donkerrode gestreepte sjaals waarin ze helemaal wegschuilen, zitten in een kring aan zijn voeten gehurkt. Ze begeleiden zijn spel met korte, donkere slagen op hun kleine tamboerijnen: kleine kalebasvormige stenen kruiken, strak met een vel bespannen, waarop ze afwisselend met de vlakke hand of met de toppen der vingers een kort gesaccadeerd ritme kloppen. Ze zingen ondertussen een lied dat uit niet dan a-e-o klanken schijnt te bestaan. Soms slaat het over in een luid gejammer dat verloren gaat midden het gillen der fluit en het dof gebons en gedreun der trommen. Ze zetten daarbij een zeer bedrukt, bijna huilerig gezicht op. 
Uit de duisternis van een hoek komen de eerste dansers aangetreden: twee kleine jongens, met een groot bontgekleurd doek over hoofd en schouders, en helemaal gesluierd. Ze houden in de rechterhand een stok bij wijze van zwaard, die ze horizontaal uistrekken en langzaam al dansend binnenwaarts laten zakken, zodat het uiteinde er van op hun linkerhand komt te liggen.
Op één of ander muzikaal moment, springen ze met een kleine zijwaartse zwaai naast elkaar naar het midden toe, en trippelen langzaam op de punten der voeten eerst achterwaarts en dan zijwaarts, op de maat van de muziek; de linkervoet, met kleine trillende pasjes, haast zonder van hun plaats weg te komen. Dat duurt een vast aantal maten, dan treden beide knapen achterwaarst terug voor de rustpauze, terwijl de vrouwen hun tambourijnen met het valank naar het midden toe keeren en deze mat en zacht bevingeren. De danseres tellen met het getrippen van hun voeten de rustmaten af, en op een bepaald, voor ons niet te achtehalen teken van het orkest, springen ze met hun typische zijwaatse kleine sprong terug naar het midden en herbeginnen het getrippel achterwaarts en vooruit, naar links en naar rechts.

Het lichaam trilt onder de plooien van hun kleed met kleine schikjes; ze zwaaien hun stok als een degen, horizontaal, omlaag, naar links, opwaarts; soms leggen ze hem met staccato-bewegingen achter in de hals. De melodie verstilt; de tamboerijnen klinken mat en gedempt, het het gezang der tamboerijnslaagsters valt stil tot een zachter neuriën, en de dansers treden opnieuw achterwaarts tot rust, om twintig seconden later hun getrippel te herbeginnen. Zo'n dans duurt tien à twaalf minuten; er komt een korte pauze en dan herbegint ongeveer dezelfde dans met andere danseres op een licht gevariëerde melodie. Eerst zijn het er twee - knapen van een jaar of acht, naar schatting- daarna vier, dan zes;telekns andere, en telkens oudere. Ze zijn altijd donker gesluierd en in fantastisch-gekleurde hoefddoeken en gandoerra's gehuld, waarvan de schakering niet zonder opvallend raffiment gekozen is. Eenmaal bij ttwee ranke jongenesfiguren was het effekt haast spookachtig van berekening; de ene in tomaatrood met krijtwitte figuren en zijn tegendanser helemaal in het zwart met een zwart-en-witte sluier: door de wildere tamboerijnslagen heen klokken en gillen hoge kreten en "you-you's"; de trommen slaan luider; de vrouwen klappen de maat met hun handen en wiegen de bovenlijven onder hun falie op het ritme van de dans, terwijl iedereen rechtstaande en met gerekte hals uitkijkt naar de twee dansers.
Maar de dans zelf blijft altijd even passief en koel, even decent en volmaakt passieloos. Amper ziet met de toppen van de vingers der dansers en soms de punten der trippelende voeten, en toch schijnt een grote beroering de kijker aangegrepen te hebben. Het klinkt door de muziek heen, in het bonzen der trommen en in de klagende liederen der vrouwen; in de yoe-yoe-kreten en in het gerinkel der kettingen, arm- en polsbanden en snoeren waarmee de tamboerijnslaagsters zich behangen hebben. |